29 november 2011

Echte mannen slaan hun vrouw




Eindelijk! Een kei van een boek voor iedere kerel die er van droomt om een echte man te zijn! En wat fijn dat het vlak voor pakjesavond in de winkel ligt, zodat vrouw of vriendin het in onze schoen kan stoppen. Want welke vrouw wil er niet een echte man? Geen doetje maar een vent met overal haar en ballen, die weet wat hij wil, recht op zijn doel afgaat, en nooit op toestemming wacht! Een man kortom, die geen respect vraagt, maar respect afdwingt.

Nou, dat leer je wel met dit boek hoor. En daar is het ook hoog tijd voor. Wij mannen zijn de laatste jaren al genoeg vernederd. Met de afwas doen. Met de duurzame duo-schaambaardtrimmer met optioneel gelreservoir die twee jaar geleden nog onder de kerstboom lag. Met achter de kinderwagen sjokken. Met tot in bed toe worden gecommandeerd. Met onze schoenen uit moeten doen op de gang. Met het hondenzakje. We zijn goddomme ingehaald door de bejaarden! Die hebben een eigen omroep voor elkaar geknokt! Terwijl zij ‘s avonds in hun eigen bejaardenflats op hun eigen bejaardenzenders naar hun eigen bejaardenknokfilms kijken, zitten wij op de slappe L-bank samen met het vrouwtje weg te dutten bij een truttenprogramma over weeskinderen of dode zeehonden.

Algemeen Dagblad, 24 nov. 2011


Wij mannen zijn het spuug en spuugzat. Onze vrouwen gaan nog spijt krijgen dat ze het boek in onze schoen hebben gestopt. Wij gaan dit boek heel goed lezen. Het wordt trouwens ons laatste boek, want echte mannen lezen geen boeken meer. Wij hakken bomen om of jagen op wild en eten dat rauw met onze echte vrienden. En drinken dat daarna met ons allen weg met bier, veel bier. En weer thuis pakken we nog even een voetbalwedstrijd op onze widescreen mee, of een lekker potje anale 3D-porno, met onze poten op het tafeltje. Zo! We doen het gewoon! En als moeder de vrouw langskomt hintend met een wapperende theedoek, windt ons dat alleen maar op, gluren we over ons 3D-brilletje heen, en mompelen we: Dag geile gleuf. Als dit klaar is, kom ik jou een beurt geven. Als ze met een stofzuiger aan komt zetten, willen we daar alleen maar onze kleine John in stoppen. Stofzuigen? Ja, hallo. Wij echte mannen zuigen geen stof. Dat heeft gewoon met de natuur te maken. Wij willen jagen, beschermen, kieren, zuipen. Als we thuiskomen van onze echte mannenbieravond na de jacht, verwachten, nee: eisen we dat moeder de vrouw de grot heeft opgeruimd. En als we die acht liter bier kwijt willen, dan waggelen we naar de wc, laten de deur gewoon op een vette kier staan, gaan niet zitten maar ritsen onze gulp open, floepen Kleine John eruit en laten het gewoon klateren. Kan ons het schelen! Echte mannen pissen staand. Wij hebben het alleenrecht op staand pissen, en geen penisnijdige vrouw neemt ons dat af! En of we de bril omhoog doen, maken we ook zelf wel uit! Misschien doen we dat pas halverwege! Wij zijn jagers! Veroveraars! Heer en meesters in ons eigen domein! Wij laten ons niet commanderen!

Daar komt moeder de vrouw al aan. Ik weet wat ze gaat zeggen: Mèmèmè. We zouden gaan zitten bij het plassen, John. Ha! Ze weet nog niet dat ik tegenwoordig een echte man ben. Een knal voor haar kop kan ze krijgen. Een ram voor haar bakkes met mijn echtemannenboek. Dat vindt ze nog lekker ook, onderworpen zijn door een vent met overal haar en ballen. Mag ik in mijn eigen huis zelf nog bepalen hoe ik plas? Daar komt ze al. Ik repeteer mijn tekst; je reinste Shakespeare. John, we hadden toch afgesproken dat je gaat zitten bij het plassen, zucht ze, voorspelbaar wijf. Echte mannen plassen staand, schat, lal ik lazarus, half achterom kijkend, uitkijkend dat ik niet omval. Mijn straal, bezig aan zijn zesde liter, draait gewillig met me mee.
Ze kijkt me aan; kijkt naar omlaag. Prima, schatje. Als je maar weet dat echte mannen ook de plee boenen als ze klaar zijn. Ze duwt een wc-borstel en een doekje in mijn vrije hand. En vergeet de vloer niet, zegt ze vuil.
Ik kijk omlaag. Ach, eigenlijk heeft ze wel een punt.

28 oktober 2011

Bezat was diefsteel


Hier om de hoek stond jarenlang een boekenkast op straat. Of een boekenkast.... het was eigenlijk een openluchtzelfbedieningsweggeefboekwinkel. Er hing een stukje doorzichtig plastic voor tegen de regen, en dat was alles.
Hoe werkte het? Uitstekend, en dat drie jaar lang. Je mocht er boeken inzetten, en je mocht er boeken uithalen. Geen regels, geen niks, geen niemand. En denk maar niet dat er dus alleen maar ouwe troep in stond. Ik heb er prachtige boeken uitgehaald.
Maar omdat een openluchtzelfbedieningsweggeefboekwinkel het beste in je naar boven haalt, heb ik er ook prachtige boeken in teruggezet. Nog wel meer zelfs dan ik eruit haalde, want hier in huis hebben we een chronisch boekenoverschot, dat met de openluchtzelfbedieningsweggeefboekwinkel heel aardig valt te bestrijden.

De openluchtzelfbedieningsweggeefboekwinkel was een initiatief van een paar ouderwetse ambachtelijke krakers. Ik noem ze maar even zo; in deze beroepsgroep loopt tegenwoordig ook een hoop tuig rond, die de goede naam van het vak naar beneden haalt. De krakers die de openluchtzelfbedieningsweggeefboekwinkel hebben opgezet echter, zijn de krakers die ertoe doen, de krakers die het verschil maken, met hun mengeling van gedrevenheid, idealisme, en superieure handigheid.

Deze goede krakers moeten nu weg, maar hun kast, die enorm populair is in de wijde omtrek, daarvoor lijkt een oplossing te zijn gevonden.
Ik wil hen hartelijk bedanken en wens hen succes met het vinden van een nieuwe woning!

klikken om groter te maken

11 augustus 2011

Giftrip Europa




Terwijl ik uitrust van een hektisch jaar, is mijn onvermoeibare vriend en collega SpookvanOde op studiereis. Aan zijn opmerkelijke resultaten in zijn vorige carriere als chemisch expert bij de forenzische afdeling bij Interpol heeft hij een plaatsje in de bus weten te bemachtigen. Hij heeft zich er erg op verheugd, ondanks dat het netwerk van internationale gifmengers nog niet definitief onthuld is, en het studiereisje niet van gevaren ontbloot lijkt.

Zijn fotoverslag is hier te lezen.


28 juli 2011

Bedankt, Joost! Bedankt, M.!



(klik om groter te maken)


oud briefje

Bovenstaand briefje werd in 1920 geschreven door P. Bouwman. Het betreft een verzoek aan de pastoor om een dienst te houden ter ere van zijn moeder, die zoveel jaren geleden gestorven is. Op het origineel is te zien dat P. sommige woorden of zinnen eerst met potlood schreef, en ze daarna met inkt overtrok. Er zitten veel spelfouten in; woorden zijn vaak min of meer fonetisch opgeschreven. P. kende bijvoorbeeld het woord parochie wel, maar kijk maar eens wat hij er van maakte. Die onbeholpenheid verschaft met het zichtbare geploeter een meerwaarde aan de ontroerende boodschap.

Misschien vond de pastoor tot wie het was gericht dat ook wel, want hij bewaarde dit stukje papier in deel 1 van een editie van de complete werken van Vondel, die hij bezat.







Die complete werken kwamen later terecht bij mijn oom, die als kapelaan en schriftgeleerde verbonden was aan de parochie De Liefde aan de Da Costakade, waartoe ook de gelijknamige prachtige Cuyperskerk behoorde. Zoek hem niet, want hij is inmiddels gesloopt wegens gebrek aan klandizie. Nadat mijn oom begin jaren tachtig was overleden, kwam Vondel bij mij terecht. Het duurde vervolgens nog twee jaar voor ik het briefje ontdekte.


Jammer dat ik die complete editie later aan een vriend heb geschonken die zo'n rij oude boeken wel intellectueel vond staan in zijn boekenkast, want anders had ik hem aan mijn collega M. gegeven.
M. weet veel over Nederlands vermaardste kousenverkoper (een paar zijden kousen ging over de toonbank voor 16 piek), en leest hem ook echt. Ze kan erg beeldend vertellen over Vondel en het Amsterdam van Vondel, een beetje zoals Geert Mak dat kan, maar dan nog net iets beeldender en spontaner. Is dat genoeg om iemand 15 dikke delen Vondel te hebben willen schenken? Zeker niet. Niet voor mij. Maar ze is ook erg aardig en leuk, en dat had met gemak de doorslag gegeven. Helaas! Deze complete Vondel staat dus al in iemand anders zijn boekenkast te verkommeren.


blog van een ambtenaar

M. denkt dat ik haar in de maling neem als ik zeg dat ik veel van haar heb geleerd met betrekking tot het schrijven van deze blog. Maar dat is niet zo. Ik neem nooit mensen in de maling, tenzij ze er om vragen.
Allereerst is daar haar waardevolle tip over plagiaat. Zij was net klaar met de 23 dingen-cursus toen ik eraan begon, en ik mocht haar blog lezen. Ze zei: "ik ga hem binnenkort weghalen hoor. Straks pleegt iemand nog plagiaat."

Plagiaat, dat vond ik een heel erg goed idee! Ik heb haar blog dus snel gedownload, net op tijd eigenlijk. Zo zou ik, mocht de cursus me gaan tegenstaan of ik andere dingen aan mijn kop krijgen, toch eenvoudig aan de opdrachten kunnen voldoen. Hier en daar een zinnetje omgooien: dat moest genoeg zijn.
Verspilde moeite, zou later blijken, en echt niet omdat haar blog niet goed genoeg was om te plagiëren. Maar laat ik niet op de geschiedenis vooruitlopen.

In het begin van de cursus pakte ik het economisch aan: niet meer woorden schrijven dan nodig was. Op het Amsterland-forum stelde ik voor om de Twitter-norm van maximaal 140 tekens aan te houden bij het schrijven van een blog-artikel. Op het forum zelf werd dit voorstel afgekeurd, men sprak er zelfs schande van, maar mijn privé-mailbox raakte bijkans verstopt van de adhesiebetuigingen.

Dat bij elkaar tikken van die bondige stukjes voelde wel erg aan als het voldoen aan een dagelijkse plicht. Het liet al snel een onbevredigd gevoel achter, een klein knagend gaatje in mijn gemoed. Net op het moment dat ik erover dacht om het bijltje er bij neer te gooien, arrangeerde de Voorzienigheid een toevallige ontmoeting tussen M. en mij in de krochten van het uitgestrekte ODE.

"Die zinnetjes van jou", zei ze op de haar typerende wijze, zonder omhaal en rechtstreeks doordringend tot de kern, "die stukjes, die leest toch niemand? Daar lusten de honden toch geen brood van? Ik dacht dat jij het creatieve type was. Nou, daar merk ik niks van hoor. Het lijkt wel alsof jij alleen maar aan een dagelijkse plicht wil voldoen met die paar woordjes per opdracht."
Van mijn stuk gebracht stamelde ik een tegenwerping. "Eh.... ja... dat heb je wel vaker met dingen die moeten...."
Ze onderbrak me. "Zorg dan dat niet moet wat je doet! Een blog is geen papier of zo, dat opgaat! Schrijf toch eens wat langere stukken, en ook wat meeslepender svp. Je bent toch geen ambtenaar?"
"Nee, verkoper in een kousenwinkel", wilde ik nog al te snedig antwoorden, maar ze was al weer weg.

Ja ja, dacht ik wrang, ambtenaren doen het nooit goed, maar waar zouden we zijn zonder ambtenaren? Zelfs Vondel liep er al over te zeiken: Men bezight ambtenaers, doch mag er niet op bouwen.



droom

Toch had M. een snaar geraakt. Dat merkte ik toen ik die nacht in mijn bedje lag te woelen. Zorg dan dat niet moet wat je doet! Zorg dan dat niet moet wat je doet! Haar stem echode door mijn hoofd. Toen ik eindelijk in slaap viel, verscheen de oude Vondel in de eerste de beste droom. Hij kwam zo uit een gat in de hemel vallen. Hij liep met een stok, maar zag er nog bijzonder kras uit. In zijn andere hand hield hij een klein zilveren trompetje, waar hij een oorverdovende riedel op blies. Ik rende weg, want hij liet zijn feesttoeter zakken en hief een vinger op, dus hij was ongetwijfeld gekomen om er de een of andere calvinistische boodschap in te drammen. Maar hoe hard ik ook holde, de hoogbejaarde hield me ondanks zijn trage tred met gemak bij. Ik werd moe, en mijn voeten bleven steeds meer aan de grond plakken. Ik draaide me om toen ik niet meer verder kon. Laat de boodschap maar komen, Joost, murmelde ik vermoeid.
Daar was hij al. Hij had een flinke grijze baard, en in zijn ogen flakkerde het vuur van zijn passie. Eerst blies hij weer even op zijn trompetje. Ik wilde mijn oren dichthouden, maar mijn armen waren helemaal slap geworden. Daar ging zijn vinger al omhoog. Ik deinsde achteruit. Vermanend sprak hij:

Waer de nootdwang heerscht, verliest de deught haer stof.
Waer 't menschelijck geslacht veranderloos, hoe zouden
De deughden haeren glans en kroon en loon behouden!


Ach ja, citeren uit eigen werk, zo kon ik het ook. Ik herkende de zojuist uitgesproken woorden heus wel. Die had hij niet ter plekke bedacht. Nee, hij had ze gejat uit zijn eigen merkwaardige theologische werkje Bespiegelingen van Godts eigenschappen, waarin hij een nep-brainteaser opwerpt over de vrije wil. Nootdwang trouwens, dat is ouderwets voor dwang van buiten.
Ik lachte hem uit. "Bedenk eens wat nieuws, Joost!" spotte ik. Hij hief zijn stok om mij te slaan. Ik werd wakker op het moment dat het hout mijn schedel raakte.
Roerloos lag ik in bed. Ik herhaalde Vondels preek. Het ging natuurlijk alleen om het eerste zinnetje. Die andere twee had hij er alleen bijgezegd omdat het anders wat kort was geweest. Het liefst had hij die hele Bespiegelingen van Godts eigenschappen opgedreund, maar dat was hem nooit in één droom gelukt. Die ene zin gaf wel te denken trouwens. Eigenlijk was ik het er wel mee eens.
De vrije wil bloeit op daar waar zij zich onttrekt aan dwang, dat was ook mijn eigen ervaring. En in haar kielzog sleurt ze daadkracht en creativiteit met zich mee, die loskomen en hun energie vrijgeven.

Zorg dan dat niet moet wat je doet!

Het was alsof er een lichtschakelaar werd omgedraaid, toen deze woorden als een olievlek van vrije associatie kwamen bovendrijven. Alles kwam samen. De hemel sloot zich weer. Ik zweefde een meter boven mijn bed, omgeven door een rode gloed. En ik begreep.

De volgende ochtend produceerde ik voor het eerst een blogstuk dat geen huiswerkopdracht was. Niemand had erom gevraagd. Ik schreef het uit vrije wil. Er was geen nooddwang mee gemoeid. Het kostte geen moeite. Het moest niet, maar ik deed het toch. En het was lekker.


bevrijd

Vanaf dat moment voelde ik me bevrijd. Bevrijd van de last om te vinden dat je moet weten waar je het allemaal voor doet. Ik wist het niet! Het kon me niet schelen! Vroeger had ik meestal opdrachtgevers gehad die van mij artikelen of verhalen verlangden van een bepaalde lengte, of met een bepaalde strekking en inhoud, en binnen een bepaalde tijd. Dat was me steeds meer gaan tegenstaan; het smoorde de vrijheid en dus de fantasie.
Maar nu waren er geen opdrachtgevers meer. Er was geen afgesproken lengte meer. Er was geen deadline meer. Schrijven ging nu vanzelf; ik hoefde met niemand rekening te houden; zelfs niet met mijn lezers! En aan inspiratie ook geen gebrek.

M. en Vondel hadden mij dat aangereikt. M. heeft een goed psychologisch inzicht. Zij weet dat je iemand niet de hemel in moet prijzen. Maar een beetje aanmoedigen mag. "Leuk stuk, mag nog best wat langer!"riep ze laatst over een zeer uitgebreid blogsel dat handelde over Rembrandt's uitzicht vanaf zijn atelier aan de Bloemgracht, en de invloed daarvan op zijn meesterwerk De samenzwering van Claudius Civilis .
Dat is heel aardig, en ik doe nu echt mijn best. De tijd dat alles op een A-viertje moest passen, is definitief voorbij.


naschrift

Toen ik het ontroerende briefje van P. Bouwman aan de pastoor erbij pakte om hem te scannen voor dit stuk, viel me opeens een geschreven tekst op die bovenaan op de achterzijde was gepriegeld met een zacht rooms-katholiek potlood. Het was vrijwel onzichtbaar wat er stond, zo had de tand des tijds aan de letters gevreten. Maar door deze tekst ook te scannen en met Photoshop te verscherpen, kon ik de volgende zinnen ontcijferen:

(klik om groter te maken)


Nu berst een bron van blijschap uit onze aders,
Op ’t klinken van de zilvre Vreêtrompet


Dat was kras. Gelukkig kende ik mijn klassiekers. Deze zinnen kwamen uit een aangrijpend gedicht dat Vondel een paar jaar na de dood van zijn vrouw Maeyken schreef. Dit gedicht bestaat uit twee delen: een klaagzang en een lofzang. Vondel was in een diepe put terecht gekomen na de dood van zijn vrouw en van een paar van zijn kinderen in voorgaande jaren. Hij vermant zich, zo schrijft hij, en poogt aarzelend weer uit die put te kruipen. Maar de hernieuwde confrontatie met de hectiek van het dagelijkse leven jaagt hem angst aan. Moedeloos wil hij zich weer in de put laten glijden, maar op dat cruciale moment verschijnt er een engel, althans zo beschrijft hij dit in het gedicht, dat overigens maar deels bewaard is gebleven. Die engel heeft een allegorische trompet vervaardigd uit het zuiverste onschuldige zilver, waarmee hij Vondel weer levenslust inblaast, genoeg om hem definitief uit de put te doen kruipen. Theatraal geeft Vondel, aan de put ontsnapt, uiting aan blijdschap:

Nu berst een bron van blijschap uit onze aders,
Op ’t klinken van de zilvre Vreêtrompet


Dan zijn we rond. Wat dat trompettencitaat op het briefje doet, zal wel altijd onduidelijk blijven. Maar ik heb besloten om Vondel te vergeven voor de enorme herrie die hij maakte in mijn droom.